Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

162

sche klem had gezeten, doch dat hij gedaan had, als de vossen, die liever gehavend vrij komen dan ongeschonden doodgeslagen worden.

Op de vraag hoe het met de vloot ging, vertelde hij, dat men bitter weinig vorderde, uit gebrek aan water. De meeste vaartuigen hadden toch nog drie en een halven voet diepgang, en op de weilanden stond nog maar één voet water. De plaatsen waardoor men in de vaarten zou kunnen komen, waren sterk bezet en de Spanjaarden waren „lompe" menschen, want niet één was er onder, die zei: „Ga door, goêman!" Integendeel, ze schoten, sloegen en hakten er op in, dat een fatsoenlijke Watergeus er nog een lesje in had kunnen nemen. Zoo was de toestand, zie, zóó, en niet anders.

„Maar zou de vloot dan wel ooit tot Leiden kunnen komen ?'* vroeg een uit den hoop, en hij voegde er bij: „Ik heb altijd gezegd, dat die doorstekerij niet veel meer dan gekkenwerk is geweest."

De Watergeus lachte luid en zeide: „Pas op, die springt nog uit mekaêr van geleerdheid 1 Ik zeg ja, maar, de Leidenaars moeten nog wat geduld hebben. Wij zijn hier nu eenmaal in Holland, en we gaan er niet uit, vóór we de stad van de „Leidsche kaas" van binnen gezien hebben."

„En als het water nu niet hooger komt ?" vroeg dezelfde. „Wat dan ?"

„Als het water niet hooger komt, dan neemt onze Admiraal van Boisot een mes tusschen de tanden, een musket in de eene en een schop in de andere hand. Dat doen we hem allen» allen na! Niet één van de achthonderd Watergeuzen, die thuis blijft om op zusje te passen. Elk musket zal een vijand treffen; elk mes een Spanjaard vinden. Dan hebben we ruim baan, en we graven een wetering, een vaart, een rivier of een zee, zeg maar, wat je hebben wilt, en,—wij komen er met vlag en wimpel, desnoods met van Boisots Admiraalsschip. Maar Leiden moet Holland blijven 1 En nou, brouwt bier en gaat aan het werk! Ik wil je groeten en zeg je hadie!'"

Sluiten