Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

176

„Van den Prins ?" vroeg Cornelis.

„Neen, van Valdez, van Jonker van Mathenesse en van Don Ferdinand de Lanoy !"

„Zeker weer alle drie heel lief en aardig ?"

„Ja, dat weet ik niet. De Magistraat is vergaderd om over die brieven te spreken, en daar ik kennis op het Stadhuis heb, zullen ze ons wel binnensmokkelen en een plaatsje geven, waar wij allen zien en hooren kunnen, zonder dat men ons ziet of hoort."

„Top, dat doe ik ! Dan zal ik mijn maag maar eens vullen met te kijken naar de leelijke gezichten der Spaanschgezinden, als er besloten wordt, te wachten op het beloofde ontzet 1"

Weldra bevonden beiden zich dicht bij de zaal, waar de Regeering haar vergadering hield. Ze konden ieder Lid zien en alles verstaan.

Juist werd de brief van Jonker van Mathenesse voorgelezen.

„Zie-je wel, Cornelis, welk een valsch-lachend, leelijk gezicht die Meester Jacobsz. zet ?" fluisterde van der Morsch.

„Of ik," antwoordde Cornelis. „Maar hoor-je ook wel, dat het weer schering en inslag het oude liedje is: „Je hebt geen eten ; — je zult ziek worden ; — je zult van den honger sterven ; — je moet de stad overgeven ;— Valdez en Requesens zullen je geen kwaad doen; want ze zijn de goedheid zelve. Als je de stad niet overgeeft, en we krijgen haar vroeger of later toch, dan zullen wij het je inpeperen, dat je ons zoo lang getart hebt. Och, lieve Jonker, je hadt pen, inkt en perkament kunnen sparen, we. . . ."

„Stil, Kees, daar beginnen ze aan den tweeden brief!"

Cornelis zweeg stil en luisterde met de anderen, wat er nu volgen zou, en daar begon de secretaris te lezen :

Para el Magisirado y Pueblo de Leyden.

„Obstinados Leidenses contra Dios, y contra vuestro Rey y Senor Aunqui no es digna de mesericordia buestro grande obstinacion. . . ."

Sluiten