Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

178

later gelezen worden. Wij moesten de zaak nu maar dadelijk in rondvraag brengen. Wie voor de overgave is en dus in den geest van deze brieven gehandeld wil zien, hij sta op en spreke."

Het werd plotseling doodstil in de zaal, en in gespannen verwachting, wat er gezegd en daarna besproken zou worden, zagen allen in het rond.

Daar stond Meester Jacobsz. op.

De oude man beefde, en, nu het hooge woord er bij hem uit moest, was hij gansch niet op zijn gemak.

„Als Lid van de Vroedschap der stad Leiden," begon hij, „heb ik den eed gedaan voor het heil en welvaren der burgerij werkzaam te zijn. Dien eed zal ik houden, zoolang ik leef. Ware onze goede stad zoo ruim van levensmiddelen voorzien, als er nu gebrek aan is, zie, dan zouden mijn stramme ledematen mij niet beletten, om den eerste den beste, die van overgave sprak, overhoop te steken. Maar nu de honger door onze straten waart, de pest ons aangrijpt, ellende de wangen der burgeren verbleekt en het krachtigste lichaam tot een geraamte dreigt te maken, nu meen ik ook door dienzelfden eed gebonden te zijn om niet langer den Spanjaard te weerstreven ! Ik ben vóór de overgave. Ik mag geen oorzaak zijn van den dood van zoovele menschen !"

„Heeft Meester Jacobsz. uitgesproken ?" vroeg van der Werff, op kalmen toon, alsof Meester Jacobsz. over de onschuldigste zaak ter wereld gesproken had.

„Ja, Burgemeester," hernam deze.

„En heeft iemand nog iets aangaande deze zaak in het midden te brengen?" werd er andermaal gevraagd.

Allen zwegen. Geen der Leden van den Magistraat wilde blijkbaar thans meer spreken.

„Welnu," hernam daarop van der Werff, „dan heb ik wat te zeggen. Toen ik verleden jaar in onze goede stad tot Burgemeester werd aangesteld, heb ik óók een eed gezworen, en dien eed zal ook ik niet verbreken ; maar hem houden.

Sluiten