Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

181

onze tegenstanders, die gelukkig onder het volk nog in de minderheid zijn, niet zooveel kwaad doen. En hierin zult gij een loffelijk voorbeeld geven, dat weet ik. Intusschen van avond om tien uren zal ik bij u zijn om met u naar de plaats te gaan, waar de ontevredenen zullen bijeenkomen. Tot van avond dan."

Toen Barend Cornelissen weer op straat was, mompelde hij: „Toch een nobel man, die van der Werff! Zelfs voor zijne felste tegenstanders heeft hij nog een woord van lof over. Waren allen als hij, onze goede stad zou niet in dezen ellendigen toestand gekomen zijn."

Met wat te loopen lanterfanten werd de dag weer doorgebracht, en met genoegen hoorde Barend de klok van tien slaan, en pas was de laatste slag gevallen, of van der Werff klopte aan. Hij was evenwel niet alleen, want van Hout en van der Does waren ook bij hem. Zoodra ze op die afgesproken plaats, waar het zeer donker was, gekomen waren, verscholen ze zich en wachtten de komst der ontevredenen af.

Jaspersz., Martensz., Job de Snijder, die de overbuur van Barend was, en „Rooie Jaap" verschenen het eerst, en begonnen onder elkander al dadelijk te schelden op dien flauwhartigen Meester Jacobsz., die zoo gauw bakzeil gehaald had. Volgens het oordeel van „Job de Snijder" was hij geen knip voor den neus waard.

Pas had Job dit gezegd of Meester Jacobsz. verscheen. Hij had alles verstaan, naar het scheen, en zeide: „Hier is de man, die geen knip voor den neus waard is; maar zou ik van „Job de Snijder" mogen weten, of Baersdorp, die hem hier gestuurd heeft, dan beter is dan ik ?"

„Zeker !" riep Job. „Burgemeester Baersdorp is een man uit één stuk, die weet, wat hij wil."

„En is dus zeker wel een knip voor den neus waard ?" vroeg Meester Jacobsz. zoo leuk, dat de luisteraars moeite hadden om niet in den lach te schieten.

„Maar zulk een knip waard of niet waard," vervolgde

Sluiten