Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

195

de musketschoten hun gelederen dunden, daar vulden zij deze dadelijk weder aan.

„Terug, mannen," riep van Boisot, „dat is hier het Prinsenvolk op de slachtbank brengen! We zullen zien, of ons nog geen andere weg openstaat}"

De Watergeuzen, niet gewoon krimp te geven, voldeden morrend aan het bevel, en trokken terug om nog verscheidene dagen achtereen op meer water te liggen wachten en andere middelen te beramen, ten einde den Spanjaard bij de Zoetermeersche brug mis te loopen.

Den achttienden van Herfstmaand was de wind gelukkig uit den Noordoosten hoek gekropen en woei er, voor een oogenblik, een stevige koelte uit het Noordwesten.

„Thans hopen wij, dat de ellende spoedig geleden zal zijn, de Moor!" zeide van Boisot.

„Het is te hopen, Heer Admiraal," antwoordde deze, „doch hoe zullen we verder komen ? De raad van dien Rijnsburgschen groentenboer en de anderen heeft ons niet veel voordeel aangebracht I"

„Toch houd ik het nog voor den besten raad, die ons gegeven is; want iedereen had zwarigheden en niemand zei: doe het hier of doe het daar! Doch weet je, wat we vannacht wel konden doen, nu het water een weinig gestegen is.?"

„Neen, dat zie ik nog niet in, Heer Admiraal!"

„Luister dan! Ik heb bemerkt, dat de Spanjaard tusschen Zoetermeer en Benthuizen een slappe wacht houdt. Dien weg zullen we vannacht trachten te bezetten en Zoetermeer innemen I"

„Dat zal strijd en bloed kosten, zou ik meenen!"

„Dat zal het, de Moor, maar het moet, al schoot er de helft van onze manschap het leven bij in! Nog eens, ik zeg u, het moet, anders is Leiden verloren en zijn alle kosten tevergeefs gemaakt!"

En dien nacht werd het waagstuk ondernomen.

De Spanjaard, nu op geen overrompeling bedacht, werd ver-

Sluiten