Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

198

Jean richtte zich nog half op, stamelde: „Ik-k-om, Moeder !" drukte den knaap de hand, en Valdez had een dapper soldaat, een goed man minder in zijn leger.

„Wel te rusten Jean," fluisterde Cornelis en ging met tranen in de oogen heen.

Het gevecht was ten nadeele der Spanjaarden beslist en Zoetermeer genomen.

Thans liet van Boisot al zijn vaartuigen komen en vervolgde, steeds voortroeiend, den vluchtenden Spanjaard tot op het Noord-Aasche meer.

Nu ook stond de weg naar Leiden voor hem open, als er maar wat meer water kwam. Maar, weer was de wind in het Noordoosten. Om den belegerden tijding te geven, dat hij naderde liet hij zijn geschut lossen en die uit Leiden dit hoorend, gaven hem op dezelfde wijze antwoord.

„Ga nu naar Leiden terug, knaap! Geef dezen brief aan den Burgemeester, en dien aan mijn vriend van der Does, en, zoo uw Ouders, of wie dan ook, vragen : „Wanneer komt nu het ontzet ?" zeg dan: „Als God maar wil; de Watergeuzen zijn iederen dag gereed," zeide de Admiraal.

Het kostte Cornelis veel moeite eer hij weer in Leiden was doch zijn ervarenheid in het zwemmen, gunde hem een richting te volgen, waarin de Spanjaard hem niet opzoeken zou.

Na een afwezigheid van een paar weken kwam hij thans in de stad terug.

„We dachten, dat je omgekomen was, Cornelis," zeide de man, die de wacht op den wal hield.

„Gelukkig niet," was het antwoord.

„Ik weet niet, wat je beter zou geweest zijn, kameraad," hervatte de andere. „Ginds hangt men iemand op ; hier sterft men den hongerdood!"

Sluiten