Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

199

ACHTTIENDE HOOFDSTUK. Om brood bij den vijand.

Nauwelijks was Cornelis binnen de stad gekomen, of uit alle huizen kwamen de nieuwgierigen te voorschijn.

Bleeke mannen met waggelenden gang; gebaarde vrijbuiters met diep liggende oogen en knikkende knieën; rijke ingezetenen in het fluweelen kleed, dat hun veel tewijd om de leden zat; weenende vrouwen met schreiende kinderen op de ontvleeschde armen; trage knapen en droomerige meisjes die allen kwamen den jongen bode met vragen van allerlei aard bestormen.

Cornelis kon niet voor- of achteruit; de menigte pakte zich steeds dichter opeen.

Het werd den knaap hier te eng om het hart; want het scheen wel, of de uitgehongerden, als dreigende spookgestalten om hem heenkwamen staan, om hem te dooden en zich aan hem te verzadigen! Hij zag er immers zoo gezond en welgedaan uit!

Kon hij maar wegloopen!

„Wanneer komt nu het ontzet ?" zoo riep er één.

„Waar liggen de vrijbuiters ?" vroeg de ander.

„Kijk eens, Cornelis, wat ziet mijn kleine Jan er gezond uit! Hi-hi! Kijk eens, wat zijn die wangetjes bol en zijn armpjes dik ! Vind je het ook niet, Cornelis zeg ? Hi-hi I" riep een vrouw, die van honger waanzinnig was, en een kind op de armen hield, dat daar met den hongerdood lag te worstelen.

„Laat die vrouw maar loopen, Cornelis! De honger heeft haar zoo raar gemaakt," hervatte een ander.

„Op zij," gilde opeens de arme vrouw. „Daar komt de broodkist aan ! Op zij! Ruimte !"

Cornelis ging op zijde en liet, wat er aankwam, voorbij trekken. Maar het was heel iets anders dan een broodkist. Er werd iemand begraven, en achter die nog een, nog een en nog een!"

„Laat me door, luiden, laat me door!" riep Cornelis, die

Sluiten