Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

204

„Wacht," mompelde hij, „naar Oom Jan te Rijnsburg ; hij zal me brood geven."

Zoo voortstappend hoorde hij niet ver van Valkenburg een woest gezang.

„Die daar, zingen vast niet van den honger," fluisterde hij. „Ik ga er eens opaf. Het is zeker in de taveerne van „Zwarte Jaap!"

Langs een paadje, dat door een weide liep en den wandelaar aan de achterdeur van het huis bracht, kwam Cornelis eindelijk op het erf van de taveerne.

De luiken aan de achterramen waren maar even gesloten, zoodat hij alles zien en hooren kon, wat daar binnen voorviel.

Een achttal musketiers uit het vendel van Carion, zat om een kleine tafel te dobbelen.

Één echter stond een weinig afgezonderd en scheen niet zeer op zijn gemak.

„Komt, jongens, staat nu op en gaat mede," zeide hij.

„Je bent een vervelend mensen, Juan! Laten we nog wat spelen I"

„Ja, als ze op de schans niet op het brood wachtten, dan zou ik ook niet zulk een haast hebben," antwoordde de ander.

„Wacht, daar weet ik raad op," riep er een en schreeuwde : „Zwarte Jaap ! Zwarte Jaap !"

„Wat believen de Heeren ?" vroeg de waard.

„Heb-je niet een sterken slungel van een zoon ?"

„Jawel, Heeren !"

„Best, laat hem dan dien zak met brood eens naar de schans brengen!"

„Tot uw dienst, Heeren! Hij zal het doen!" Cornelis had alles gehoord.

Als hij dien Jurrie, dien hij wel kende, eens heel, heel stil nasloop, hem dan onverwachts van achter aanviel, en hem een doek in den mond stopte, dan. . . .

Daar ging de voordeur open!. . . .

„Wat weegt die zak zwaar, Vader!" zei Jurrie.

Sluiten