Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

212

Langzaam deed iemand van binnen de deur open. Het werd plotseling stil, doodstil.

Ze hadden den Burgemeester uitgedaagd te voorschijn te komen ! Zij hadden hem belasterd, — zij, mogelijk met hunne honderden!

En daar stond hij nu, kalm, rustig en bedaard, met vermagerde en verbleekte wangen.

„Wat beduidt die oploop voor mijn deur, mannen?" vroeg hij met een houding vol waardigheid en kalmte, doch met eenigszins onvaste, ja, bijna trillende stem.

„Er staat een lijk van een hongerlijder voor uwe deur Burgemeester," zeide Mandenmaker.

„Dan was het uw plicht dat lijk weg te brengen; want dat behoort hier niet te zijn! Het is hier geen kerkhof!"

„Maar die man is van den honger gestorven, Burgemeester," riep Jaspersz.

„Hij is de eenige niet. lederen dag sterven er zeer velen. Onder alle rangen en standen komt de dood zijne offers eischen," antwoordde van der Werff, bedaard geworden op waardigen toon.

„Maar dat is uw schuld, Burgemeester! Gij wilt de stad niet overgeven ! Zie ons aan ! Zijn wij mannen ? Oude vrouwen zijn we, niets meer ! Zie onze vrouwen ! Zij sterven voor onze oogen, en onze kinderen vloeken ons, waar we hen van honger doen omkomen!"

„Ja brood, brood moeten we hebben," klonk hierop een schorre kreet.

„Hebt geduld, goede vrienden! Het ontzet nadert."

„Ja, wij zouden eveneens, als gij geduld hebben, Burgemeester, als wij ook gebraden rundvleesch te eten hadden ! Met een volle maag valt het geduld-hebben niet moeilijk! Geef ons van uw overvloed, ons en de driehonderd mannen en vrouwen uit wier naam wij spreken ! Kom met uw tafel, die nog van vet druipt, voor den dag!"

„Ja, ja, geef ons van uw overvloed ! Wij sterven van honger ! Brood, brood 1"' gilde de menigte, die steeds grooter werd.

Sluiten