Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

215

afgeleefd grijsaard, met knikkende knieën en gekromden rug tegenover hem staat, is de eertijds zoo vroolijke en spotzieke rederijker, Pieter van der Morsch!" En toch is het zoo.

„Die zon hindert me, van Schaeck! Het is zoo aardedonker in mijn hart, dat ik geen licht verdragen kan!"

„Kom, kom, van der Morsch! Bij mij is het nog altijd omgekeerd ! Het is of ik des nachts den honger nog meer voel dan overdag. Overdag heb ik wat te doen, maar des nachts niet. Dan slaap ik zelfs niet eens."

„Ik weet niet wat beter is: nacht of dag. Ik ben zoo vreemd te moede, alsof er wat met me gebeuren zal."

Van Schaeck trachtte te lachen, en zeide: „ J e eet te veel, man! Gisteren is het laatste paard geslacht en nu heb-je de maag overladen. Hiervan wordt een mensen altijd zoo raar. Eet minder!"

„Spot niet, van Schaeck, en praat me niet te veel van eten, want dan zou ik den geeuwhonger krijgen!"

„Stil, oude jongen, dtar komt Cornelis aan! Die heeft zeker een boodschap aan ons."

Het kostte ook nog al eenige moeite om den knaap, die toch nog zooveel niet geleden had, als de andere stadgenooten, te herkennen. Hij had in alle gevallen onder de vrijbuiters nog eenige goede dagen gehad, en de voorraad brood, dien hij Jurrie zoo slim had weten te ontfutselen, was ook nog een versterkende spijze geweest, die de anderen hadden moeten missen.

„Wel, Cornelis, is er nieuws ?" vroeg van Schaeck, toen de jongen ook op den wal was.

„Och, ja, zooveel als anders in een geheel jaar ! Van morgen hebben ze Krelis Louwensz. met zijn vrouw en twee kinderen dood op bed gevonden !"

„Jongens, jongens! Vier weken geleden was die Louwensz. nog een man als een boom! En nu van den honger gestorven ! Het is wat te zeggen! Waar moet dat toch heen?" klaagde van der Morsch.

Sluiten