Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

218

Hoe wijst het ? „Pal Noordoost!"

„Zou het dan nóg niet geholpen hebben ? Nóg niet ?"

In het naar huis gaan, herhaalde menigeen nog de bede van den eenig overgebleven Predikant der Hervormden: „Heere, behoed ons! Wij vergaan!"

Maar ook de Roomschen baden hetzelfde, doch in hun kerktaal: „Domine, salva nos! Perimus!"

De eerste gang van Cornelis was, na de afkondiging van het bericht, naar de wallen geweest, om van Schaeck en van der Morsch den inhoud van het briefke mede te deelen, en de tweede naar zijn huis.

„Kom, Gonda, kleed-je aan! Wij gaan naar de kerk," had hij gezegd.

Maar het meiske schudde het hoofd en wees op de bedstede, waarin de zieke hongerlijders bijkans te sterven lagen.

„Ik kan niet, Cornelis! Ik kan hier niet weg! Ik zou ook niet naar de Sint-Pieter kunnen loopen ! Mijn beenen zouden mij zoover niet dragen! Maar, als je naar de kerk gaat, bid voor mij dan maar mee en — vergeet toch vooral ons lief en trouw Pleegmoedertje niet 1"

Teedere, trouwe ziel! Uit medelijden was ze, als een arme weeze, in huis opgenomen, en nu de goede Willempje Jansz., de brave Moeder, de zorgvuldige huisvrouw, nog altijd aan het krankbed gekluisterd was, nu beproefde zij met haar zwakke krachten, de zware taak van de zieke op zich te nemen.

Ja, ze was zelve ziek en ook haar kwelde de honger.

Maar, om door daden te bewijzen hoe dankbaar zij haar weldoeners was, vergat ze, èn ziekte, èn honger.

„Je bent een beste Gonda," zeide Cornelis, „en als we het beleg overleven mogen, en we zijn beiden groot geworden, dan word-je mijn lief vrouwtje, hoor! Daar kan-je vast op rekenen!"

„Ga maar naar de kerk, Cornelis, en bezondig je maar niet met zulke gedachten. Wie weet of we morgen nog wel leven," zeide Gonda.

Sluiten