Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

224

Het water werd gedurig hooger en hooger opgevoerd! De schansen der Spanjaarden lagen, als kleine eilanden, midden in het water ! De wind bleef Noordwest; maar, — brood was er nog niet, en voor en na stierf de een na den ander den hongerdood. Toch kwamen de verlossers al nader en nader; maar de Spanjaard bleef nog steeds op zijn eilandjes.

„Dat zal nog een harde dobber zijn, van Keulen," zeide van Schaeck, en hij wees op den vijand, maar hoofdzakelijk op de schans Lammen.

„Ja, langs dezen kant zullen ze toch moeten komen ! Daar zit niets anders op," was het antwoord.

„En wie weet hoe lang het nog aanloopt! We zijn veel te vroeg verblijd geweest! Als de wind nog eens keerde, dan

„Een duif, een duif 1" riep men van verscheidene kanten.

„Bracht dat beest ons maar te eten, dan riep ik ook mee: Eene duif !" zeide van Schaeck op ontevreden toon.

„Wel, Schaeck, Schaeck, wat ben-je bar, man! Ik geef den moed niet verloren," sprak van Keulen bemoedigend, en begaf zich op weg om te vernemen, welke tijdingen de briefdrager weer gebracht had. Wij zullen later vernemen welke berichten dat waren. Eerst maken we nog eens een uitstapje buiten de stad om te zien, wat daar voorvalt.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. Voor water geweken!

Na het innemen van Zoetermeer en het bezetten en doorsteken van den heerweg naar Benthuizen, was van Boisot nog altoos werkeloos op het Noord-Aasche meertje blijven liggen en, wat hij ook beproeven mocht, niets baatte ; want de ondiepte van het onder water gezette land, belette hem verder te trekken.

Wat echter in den nacht van den acht-en-twintigsten van Herfstmaand den belegerden vreugd veroorzaakt had, werd

Sluiten