Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

226

Tusschen Vrijdag en Zaterdag van den eersten en tweeden October stelde de vloot zich in beweging. Vooraan bevonden zich een paar van het troepje, dat Cornelis wakker gemaakt had, toen hij, onder den knotwilg lag te slapen.

Het vorderde wel langzaam, maar toch ging het vooruit.

„Wie daar ?" klonk het van den Kerkweg.

Geen antwoord.

„Wie daar ?" riep nog eenmaal een der wachthebbende Spanjaarden.

Zij, die naderden, bleven, op gegeven bevel, in hun stilzwijgen volharden.

„Wie daar ?" schreeuwde de Spanjaard ten derden male.

„Vuur!" kommandeerde de Hopman der Watergeuzen, en thans kregen de Spanjaarden zulk een gevoelig antwoord, dat zij, na een korten tijd weerstand geboden te hebben, met achterlating van eenige hunner schuiten, ijlings op de vlucht gingen.

„Eenoog, kijk ze eens loopen! Kijk ze eens beenen maken," riep de man zonder ooren.

„Denk-je dan, dat ik het niet zie ? Ha, ik zal ze die pil van Zoetermeer betaald zetten ? Ha-ha! Wat dachten ze wel, dat ze mij zoo maar met één musketkogel eens en voor altijd genoeg konden geven ?"

„Ja, maar, die kogel heeft je toch overdwars in je maag gezeten," zeide weer een ander.

„Bah, wat zou dat! In mijn been, ja! Maar nu die Zoetermeersche kattenvilder van een dorpsbarbier, dat ding er zoo netjes uitgehaald heeft, nu ben ik het ventje weer! En ze zullen het weten ook !"

„Vooruit, mannen, vooruit! Bestormt de Spaansche wachten! Het is nu geen tijd om over koetjes en kalfjes te babbelen," riep de Hopman.

„Die man is zeker terstond na zijn geboorte met zijn neus in een hoop brandnetels gevallen, dat hij zoo warm gebakerd is," zeide Eenoog tot zijn makkers.

Sluiten