Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228

Papenmeer, vermoedden ze niets anders, dan dat hun plan was, Zoeterwoude te bezetten en in te sluiten.

Valdez liet de diepte van het water peilen en daar er bevonden werd, dat het in den afgeloopen nacht meer dan een voet gerezen was, ging hij, aan de Watergeuzen een rijken buit achterlatend, op de vlucht naar Voorschoten.

Het was wel wat laat, toen Boisot hiervan kennis kreeg, doch de Zeeuwen meenden, dat er nog wel wat klappen te deelen zouden vallen, vooral, nu Valdez door Hopman Don Alonzo Lopez Gallio met zeven vendels musketiers gevolgd werd.

„Vooruit, mannen, vooruit 1" schreeuwde Eenoog op zijn beurt. „Toe maar ! Trekt de riemen aan stukken 1 Zie-je de lui daar met dien mooien man voorop naar de Vrouwenbrug loopen ? Dat hoopje is voor onze rekening ! Halloh, frisch op! Vooruit! Vooruit! Ze zullen er van lusten !"

De kleine afdeeling Spanjaarden was spoedig ingehaald.

„Staat dan, mannen 1" riep de dappere Hopman Don Petrus Ciaccone zijn moedeloozen en dralenden soldaten toe, zoodra dezen op de vlucht begonnen te slaan. „Wat draaf-je, als bezetenen, voor zulk een hoopje rabauwen en zeeschuimers ?"

De Spanjaarden stonden stil en de Watergeuzen legden de riemen binnenboord.

„Let wel, dien snuiter van een bonten vogelverschrikker neem ik voor mijn rekening," schreeuwde Eenoog op den Hopman wijzend, en eer deze er nog op verdacht was, had Eenoog hem met een haak in de kleederen geslagen en trok hem omver.

Eenoog dacht, dat hij dien „snuiter" zoo maar in eens zijn bekomst gegeven had, en viel met zijn makkers op de anderen aan, die in het water een goed heenkomen zochten. In een oogwenk waren de Watergeuzen de boot uit en joegen den vijand na.

Daar stond Don Ciaccone op, en een bijl, die bij zijn voeten lag, opnemend, viel hij met het geroep van: „Dood aan de rebellen!" de watergeuzen in den rug aan.

Eenoog lag in een oogenblik met een diepe wonde in het hoofd op den modderigen bodem te zieltogen.

Sluiten