Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

233

Marion nam het bevelschrift aan en verwijderde zich.

Weer was Valdez alleen en, in zwaarmoedige gedachten verzonken, schreef hij met de pen, die hij nog altijd in de hand hield, onder het plan der belegering, in gebrekkig Latijn:

Vale Civitas, valete Castelli parvi, qui relicti eslis propter aquam, et non per vim inimicorum," dat zeggen wil: „ Vaarwel stad! Vaartwel, kleine schansen, die verlaten zyt om het water en niet door de macht der vyanden."

„Marsch, ellendig blad," zei hij eensklaps en frommelde de kaart tot een bal, dien hij in een hoek van het vertrek smeet, en opstaande liep hij naar de deur en riep: „Alonzo 1"

Zijn dienaar verscheen aan de deur.

„Zadel mijn paard." gebood Valdez.

Alonzo verwijderde zich en een half uur later hoorde men den hoefslag van een paard op den eenzamen weg.

De ruiter, die het bereed, was Valdez, die Kolonel Don Borgia het bevel achterliet hem met al het volk naar Utrecht te volgen.

Dat lieten de Spanjaarden zich geen tweemaal zeggen, en weldra waren ze op weg, om oproer te maken en Valdez te knevelen. De muitelingen beschuldigden hem, dat hij door de Leidenaars met geld was omgekocht, en daar de nieuwe Landvoogd Requesens, door geldgebrek genoodzaakt was, hunne soldij onbetaald te laten, zoo meenden ze bij Valdez te vinden en te rooven, wat ze van den Koning met recht konden eischen.

Toen later echter de onschuld van Valdez bewezen was, lieten zij hem vrij. Maar werd hij vrij gesproken van de beschuldiging met de Leidenaars geheuld te hebben, zijn naam, als ervaren Krijgsoverste, had hij bij vriend en vijand verspeeld, en nog altijd is zijn vreemde handelwijze bij dat beleg niet opgehelderd. Wat echter voor ons geen vraag meer is, dat is, dat het moedig standhouden van Leiden, was het ook niet dadelijk, dan toch later, de oorzaak was dat de Noordelijke Nederlanden geheel voor Spanje verleren gingen»

Meer dan dat. Het langdurige beleg, dat de Leidenaars zoo

Sluiten