Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234

roemrijk doorstaan hadden, was, althans voor het oogenblik, het behoud van Holland.

Leven we nu nog, ten slotte,' binnen Leiden, de laatste uren van het beleg mede.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. Overwonnen!

„Vader, Moeder, hoort eens! Zoeterwoude is door de Watergeuzen in brand gestoken, en, als ik het goed gehoord heb, dan zijn de Spanjaarden daar op de vlucht gegaan. Nu zal er spoedig een einde aan onze ellende komen !"

Met dit bericht, dat een duif moest gebracht hebben, kwam Cornelis des Zaterdags binnenstuiven.

„Dan ga ik op de wallen kijken," zeide van Keulem. „Daar moet ik het mijne van hebben !"

Weldra waren van Keulen en Cornelis op straat.

„Hei! Van Keulen !" klonk het achter hen.

Barend en Cornelis keken om, en daar kwam van der Morsch met de banier van zijn rederijkerskamer aanzeulen.

„Wat ga-je doen, Morsch ?" vroeg Barend.

„Wat ik ga doen ? Wel, onze banier op de wallen planten. Wie maar een vlag in huis heeft, doe als ik," was het antwoord. . „Gauw, Cornelis, loop naar huis en haal de nieuwe vlag, die ik kort voor het beleg voor onze schuit heb laten maken, en breng een stevigen stok mee," zeide Barend.

„Ik zal den verrejager medebrengen, Vader, dan kan de Spanjool dat ding nog eens goed bekijken, eer hij aan den haal gaat," zeide Cornelis zoo even opgewonden.

„Dat is goed, jongen, doe dat!"

Vlugger dan anders het geval was, gingen de twee vrienden te zamen naar den wal, en achterhaalden van Schaeck, die uit gebrek aan een vlag, een bed delaken had genomen en daar met zwarte verf twee gekruiste sleutels op geklad had

Sluiten