Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236

Daar klom Cornelis met de mooie vlag van zijn Pleegvader tegen een der roeden van den nabijstaanden molen op.

Het kostte moeite boven te komen. De jongen was er door het honger- en gebreklijden, niet sterker op geworden en de vracht was tamelijk zwaar; want de verrejager moest ook mede naar boven.

Eindelijk was hij zoo hoog als dat mogelijk was !

Met veel moeite sjorde hij den verrejager aan de molenroede

vast, draaide hem even rond, en de mooie, nieuwe vlag van

den Utrechtschen veerschipper klapperde hoog in de lucht.

„Je bent toch, al ben-je zoo mager als een talhout, nog een heele kraan, Keesje," zeide van der Morsch, vroolijk lachend. „Als ik nu maar het geluk mag hebben van wat spoedig een stevig vloertje in mijn maag te mogen leggen, dan zal ik een mooi gedicht op je maken !"

„Wel ja," zeide Cornelis, „als we zoo laag bij den grond bleven, dan zou de Spanjool nog wel gaan denken, dat we niet meer klimmen konden. Dat kan hij dan nu toch beter zien!"

Langzamerhand werden de wallen ontvolkt, doch de vlaggen bleven wapperen.

„Kom-je mede, Cornelis ?" zeide Gonda, die ook eens was komen kijken.

„Ja, Gon! Mooi, nietwaar ?" antwoordde Cornelis op de vlag van zijn Pleegvader wijzend.

„Ja, het is mooi, Kees! Och, mocht die goede Gerrit dat ook nog eens beleefd hebben, dan zou hij zijn vlag wel op dien anderen molen hebben gestoken," zeide Gonda, en een paar heete tranen rolden langs haar wangen.,

„Je moet nu niet gaan schreien. Gon! Leeuwke is dood en hij wordt niet levend, al huil-je een jaar lang ! Toe, wees maar vroolijk ! Je zult het goed bij ons hebben, en de eerste maal, dat ik uit Urecht met ons beurtschip terugkom, breng ik je van mijn spaarduiten een mooien mantel mee met een huik er op, zoo mooi, als die van Burgemeesters Anna!"

„Och, Cornelis, ik weet wel, dat je het goed met mij meent.

Sluiten