Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

240

geen lantaarntjes zijn! Het zijn de brandende lonten der musketiers! Kijk maar, af en aan komen er telkens nieuwe troepjes en niet één komt weerom 1"

Eindelijk werd Cornelis afgelost en mocht hij het wachthuis binnengaan. Hij had natuurlijk aan zijn plaatsvervanger gezegd, wat hij wel een uur lang gezien had, doch daar er op het oogenblik der aflossing niets meer van dat alles te ontdekken was, geloofde men hem niet.

Des morgens vroeg reeds kwamen enkelen op de wallen om te zien of er niets bijzonders gebeurd was, en aan ieder vertelde Cornelis het geval met de lichtjes, die hij voor lonten hield.

Zij, die dat gehoord hadden, repten zich om het in de stad ruchtbaar te maken en weldra was de wal vol nieuwsgierigen.

„Waar is de jongen, die dat verteld heeft?" vroeg een rijke goudsmid.

„Ja, waar is de jonge borst, die al dat moois weet uit te kramen ?" schreeuwde een lange, magere kuiper.

„De booze is in zijn harte gevaren en heeft hem leugenen te spreken gegeven," zeide de Deken van het smidsgilde. „Ik zeg u, en denk aan mijn woorden, die ik op Zondag, den zesden van Zomermaand, sprak : Alles, wat de Leidenaars voortaan ondernemen, zal verkeerd uitloopen 1"

„Cornelis, je wordt gezocht!" riep van Schaeck.

„Heidaar, wie roept me ?" gaf Cornelis ten antwoord.

„Ik, Keesje, ik, Gijsbert Cornelisz. van Schaeck! Ik zeg, dat ze je zoeken !"

„Wie zoekt me dan ?" liet Cornelis zich andermaal hooren.

„Ik, jonge borst 1" zeide de goudsmid.

„Wat belieft u, Meester ?" vroeg de knaap.

„Vertel ons, wat je van nacht meent gezien te hebben l"

Cornelis voldeed aan het verzoek en toen hij had uitgesproken, zei de goudsmid: „Ik geef je zes gulden, manneke, als je naar Lammen durft gaan en daar kijken of de Spanjool weg is!"

„Top, dat doe ik, Meester, dat doe ik ! Zeg maar aan Vader, waar ik heen ben, dan laat ik er geen gras onder groeien 1"

Sluiten