Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

246

Niet het minst is zulks het geval ten huize van Barend Cornelisz. van Keulen, die ter belooning zijner goede diensten, door den Magistraat beloond werd met een vaste veerschippers-betrekking op Utrecht.

Zie, daar zit hij aan het boveneind van de tafel, waarop de hutspot staat de dampen, en te wachten op den aanval der hongerige gasten.

Hij ziet er welgedaan uit, en is in die zeven jaar niet heel veel veranderd, evenmin als Gijsbert Cornelisz. van Schaeck, die vlak naast hem zit en druk met hem keuvelt over de gebeurtenissen van den bangen zomer van 'vier-en-zeventig.

Tegenover van Schaeck zit een oud man met lang, grijs haar en een blos van gezondheid op de volle wangen. Geestigheid en vriendelijkheid kijken hem de oogen uit, vooral nu hij spreekt met een flinke, blonde deerne, die aan tafel zijn buurvrouw is, en die, als lieve Bruid, aan haar rechterzijde een krachtig jonkman, als Bruidegom, naast zich heeft.

„Cornelis, jongen, pas op, dat de oude rederijker je de kaas niet van je boterham haalt, en met de bruid wegloopt," zeide Jonker van der Does, die zich niet te voornaam achtte, ook hier aan de vreugd deel te nemen.

„Och, Edele Heer, laat vriend van der Morsch maar begaan," antwoordde de kloeke jonkman, in wien ge onzen Cornelis wel zult herkend hebben, lachend. „Ik gun den ouden man zijn geluk!"

„Oude man," schertste van Schaeck. „Weet-je wel, wat je daar zegt ? Een rederijker wordt nooit oud en blijft altijd jong. Straks zal ik je dat rijmpje eens laten lezen, dat hij gemaakt heeft op den pot, dien ik in Lammen vond 1 Het is prachtig ! Vriend van der Morsch, ik zeg-je er nogmaals dank voor!"

„Dat zegt hij, omdat hij het nog niet heeft," antwoordde van der Morsch. „Maar lang geborgd, is nog niet kwijt gescholden 1 Ik zal het op staanden voet maken, en het zal klinken, als een klok, reken er op I"

„Och, wacht er even mee, van der Morsch. Laten we

Sluiten