Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7

. Niet dan met groote moeite had vader Bernhelm dat ontstelde gemoed tot kalmte gebracht. Er moest gehandeld worden, want Willem, haar oudste zoontje, nu graaf van Holland en Zeeland in zijn vaders plaats, was slechts zes jaar oud, en vniet in staat om zelf de teugels van bewind in handen te nemen.

„Laat mij denken, vrome vader," sprak de jonge weduwe. „Morgen zal ik zeggen, wat ik wil, dat er gebeure."

Ze ging naar haar vertrekken en daar, in haar eenzaamheid, begon ze haar treurig lot te beschouwen, als een straf des Hemels voor haar trotschheid. Zij nam een besluit en deelde dat den volgenden dag, in tegenwoordigheid van al haar bloedverwanten, aldus mee :

„Mijn volgend leven zij aan rouw en boete gewijd. Op mijn goederen te Loosduinen zal ik, tusschen de vreedzame muren van het klooster, dat mijn gemaal en ik daar stichtten, rust en vrede vinden. En gij, Otto, hoogeerwaarde bisschop van Utrecht, wees gij de voogd van mijn twee vaderlooze zoons. Gij zult ze opvoeden tot een sieraad der kerk, terwijl gij, jonker Willem, beide knapen zult leeren, al wat een ridder weten moet ! Dit is mijn begeerte !"

TWEEDE HOOFDSTUK. Een vaag gerucht.

Zooals de gravin-weduwe gesproken had, zoo had ze gedaan ook, terwijl haar twee schoonbroeders bisschop Otto en jonker Willem ook woord gehouden hadden. De laatste echter mocht de opvoeding slechts voor een klein deel voltooien, want een paar jaar later werd hij eveneens op een steekspel gedood. Als voogd voor de ridderlijke opvoeding werd nu Machteld's neef," graaf Boudewijn van Bentheim benoemd, en de jonge

Sluiten