Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo sprak de lange magere man, die een soort van viool, een zoogenaamde rebeeke, of rubeba, droeg. Men noemde hem spottend „heer Vel-over-been," doch men wist, dat men met dat spotten niet al te ver moest gaan, want dat dezelfde heer Vel-over-been wel „heer Vel-over-ijzer" heeten mocht, daar hij ongelooflijk sterk was.

„En wie zou die „zeker iemand" kunnen zijn, heer Vel-overbeen? Dat zou ik wel eens willen weten," zei Otto.

„Ai mij, wat speelt Ottertje den onnoozele. Maar als je het niet weet, dan wil ik het wel zeggen, doch jou schuld is het dan, als hier Derk en Geert het ook weten."

Otto toonde zich geraakt en den spreker stoutmoedig aanziende, zei hij: „Denk je, dat ik een dief ben en met gouden kastanjes wegloopen zal?"

„Hei, hei, wie noemt je naam? Neen, Ottertje, je zult ook met verbrande pootjes zitten, zoo goed als wij. Hij die ons de gouden kastanjes voor den neus zal weghalen, is niemand anders dan je hooggeprezen heer en meester, heer Ogier van Berkenheim. Ben ik nu duidelijk genoeg geweest met man en paard te noemen? Of zal ik nog meer zeggen, en vertellen, dat ik het doel van onzen zangerstocht in dat akelige West-Friesland zeer goed weet?"

Geert en Derk, die alleen door Otto gehuurd waren onder voorwaarde, dat zij een eenvoudigen zangerstocht zouden houden en denkelijk veel verdienen zouden, omdat hij voor zijn gezelschap een vrijgeleide had voor alle plaatsen, die men wilde bezoeken, bleven nu staan, en verklaarden niet verder te zullen gaan, voor Otto op deugdelijke gronden bewezen had, dat heer Vel -over-been onwaarheid gesproken had.

Mét de grootste verbazing had Otto den lange of het „aangekleede geraamte," zooals hij he m in gedachte reeds voor zichzelven genoemd had, aangezien.

Die man, hij moest hem kennen, hij moest hem eens ergens gezien hebben. Maar hoe hij heette en waar hij hem eens zag, hij wist het niet.

31

Sluiten