Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lafaard, een vilain, een ellendeling," zei Derk, en h^j keek Wolfaard meteen zoo grimmig aan, alsof hij werkelijk al die eeretitels verdiende, ruimschoots verdiende.

„Een tiendubbele schoft zou je geweest zijn, dat zeg ik," bevestigde Geert, die evenals Derk alweer zoo dicht mogelijk bij den verteller zat.

De vrees voor besmetting was dus over en Otto zag het met vrees aan. Al het behaalde voordeel had hij reeds verspeeld, en die reus maakte een uitzondering op den regel, want hij was niet dom, ja, het bleek zelfs, dat Salomo bij hem thuis was.

O, knappe Otto, in welk wespennest heb je de handen gestoken!

Zonder eenig blijk te geven, dat de warme bijval der twee hem streelde, vervolgde Wolfaard: „Goed, mannen, goed! Je zult dan niet weer bang zijn voor besmetting en van me weg schuiven en je zult me niet weer zoo verschrikt aankijken, als je weet, dat ik een hulpbehoevend mensch, die toevallig een jonge Jodin was, beschermd heb en ten slotte veilig en wel bij haar moeder in Mainz mocht brengen.

Toen Lieschen en ik in den omtrek van den Berkenheim kwamen, zei ze op eens: „Kijk eens, Wolfaard, wat zijn dat voor menschen, die daar loopen?"

■ Ze wees op eenige dorpers, die met ploegijzers en zadels op het hoofd liepen en dat blijkbaar met tegenzin deden.

„Dat zijn lijfeigenen of dorpers, die een misdaad begaan hebben, en nu door hun heer veroordeeld zijn, om, tot schande van iedereen, ploegijzer of zadel op hoofd en schouders te dragen," zei ik, en ging naar één hunner, een stokoud man, en vroeg hem: „Wie is uw heer?"

„Heer Ogier van Berkenheim," zei de oude.

„En wat is uw misdaad?" waagde ik te vragen.

„Misdaad, minstreel," riep de man, en zijn gebogen gestalte verhief zich. „Misdaad? Wij hebben het gewaagd, met ons veertigen gewaagd, ons koren op een anderen dan onzes heeren molen te laten malen, omdat de mulder van heer Ogier, behalve het maalloon, ook nog uit eiken zak vier grepen mocht nemen

Sluiten