Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42

buidel goed voorzien was en dat ik het geld niet noodig had? Het is de vraag, wat ik zou gedaan hebben, als ik dat geld wel had kunnen gebruiken. Toen heer Ogier zag, wat ik deed, vroeg hij mij of ik zoo rijk was om zoo roekeloos met zooveel geld om te springen. Hem vertellen, dat ik genoeg geld had, wilde ik niet en zei daarom: „Heer, eiken dag kan ik voor mijn zuster en mij verdienen, wat we noodig hebben, maar de doode mannen en zij, die ik wondde, kunnen dat voor vrouwen en kinderen niet!"

De dochters van heer Ogier, eenige edelvrouwen en een paar ridders juichten mij toe, doch aan het gezicht van onzen vriend Otto, die juist naar Lieschens gordelriem keek, waarin ik ook mijn geld bewaarde, zag ik heel wat anders dan toejuiching. Ik las er op : „Dien riem zal ik wel ledig maken!"

„Je bent een vuige lasteraar," riep Otto nu uit en wilde weggaan, doch Wolfaard greep hem weer even aan, duwde hem neer en .zei sarrend: „Houd je gemak, meester ! De vertelling is nog niet uit!"

VIJFDE HOOFDSTUK.

Otto schikt zich in de zaken.

„Luistert nu verder," vervolgde Wolfaard zich tot Derk en Geert richtend, doch Otto steeds in het oog houdend. „Het mooiste komt nog pas."

Daar het inmiddels te laat in den avond geworden was om verder te trekken, kreeg ik, tot groote vreugde van Lieschen, die zeer bevreesd was bij nacht langs onbekende wegen te loopen, vergunning om den nacht op het kasteel door te brengen dm dan den volgenden morgen verder te trekken.

Men wees Lieschen en mij twee vertrekjes of zoldertjes aan, welke zich boven de buitenpoort bevonden en dus buiten het

Sluiten