Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

„Dat alles zal ik doen, heer graaf, alles, maar dan..."

„Als dat Hollandsche graafje, die vriend van den Paus, geheel ten onder gebracht is, ook door uw trouwe hulp, dan zal koning Koenraad u tot graaf van Berkenheim verheffen en u met rijke goederen beleenen, dat zeg ik, graaf Barthold van de Zeven Gouwen. En dat alles geen belofte is, die in de lucht hangt, zie hier, zwart op wit, door koning Koenraad onderteekend. Ik heb uw verdrag!"

De graaf reikte een opgevouwen pervament over, en heer Ogier stak het in den zak.

Beiden verdwenen, en kort daarop zag ik den gewaanden monnik op een andere plaats tegen den muur klauteren en ook verdwijnen.

Wat was ik dien nacht wijs geworden!

Ik wist, dat heer Ogier twee heeren diende en daarvoor door beiden beloond zou worden. Ik wist ook dat zijn wapenknecht met roofridders heulde en hun de gasten zijns meesters in handen speelde. Heer Jan van Wilborch zit nog altijd onder de gewelven van den Rotsburg, zoo hij althans niet gestorven is. Zijn goede vrouw werd eenvoudig gedood. Hun geld is onder de roovers en Otto verdeeld, doch of het goud en zilver van heer Ogier al in handen van de joden in Mainz gekomen is, betwijfel ik."

„En uw geld?"

„Hoe kan je dat nog vragen?" riep Wolfaard. „Nu ik alles gehoord had, was ik immers genóeg voorbereid? Ze kregen mijn geld niet, maar ... de builen en sehrammen, die ik in het gevecht opgeloopen had, beteekenen niets bij hetgeen ik nog bekomen zou.

Tegen acht uur in den morgen verlieten wij den Berkenheim, met het doel om zoo spoedig mogelijk te Mainz te komen.

Nog niet geheel buiten de bebouwde ruimte, die om het kasteel lag, gekomen, hoorden we iemand roepen: „Hei, meester zanger, wacht even!"

Ik keerde mij om en zag een monnik naderen.

Sluiten