Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

en onverbiddelijk in handen van den roofridder vallen. Ga heen in vrede!"

De monnik verwijderde zich en pas was hij zoo ver, dat hij ons niet meer verstaan kon, of Lieschen zei: „Mijn vriend, hoe ver zijn we nog van Mainz verwijderd?"

„Als we den naasten weg kunnen nemen en ons nergens ophouden, duurt het minstens veertien dagen."

„O, dat is te lang!" riep ze.

„Te lang?" vroeg ik. „Waarom?"

„Ge hebt dat perkament van dien melaatschen kloosterbroeder in handen gehad. Die ziekte is zeer besmettelijk. Toen mijn volk nog in het land Kanaan woonde was die ziekte daar ook en in den stam, waartoe mijn vader behoorde, was een familie, die er een middel tegen wist, als de ziekte pas in haar begin was. Vader heeft dat middel geërfd, en thans zal moeder het hebben. Kom, laten wij ons haasten en reppen, zooveel wij kunnen."

Lieschens woorden deden mij ontstellen en de gedachte bij mij opkomen, of Otto ook bijgeval dien zieke een pij gegeven had. Vreezende, dat haar voorspelling bewaarheid zou worden, stond ik dadelijk op, en liep met haar voort, doch juist langs den weg, dien Otto mij ontraden had, want zeer goed begreep ik, dat de mannen, die in hinderlaag lagen om mij met hun pijlen dood te schieten, juist daar zouden zijn, waar de deugniet mij wilde laten loopen. Een paar ruiters kwamen van den Berkenheim ons achterna en toen ze voorbij snelden, herkende ik in den- oudste den graaf, met wien heer Ogier een afspraak gemaakt had. Hij zag ons niet aan en snelde voorbij.

„Hij verliest wat," zei Lieschen en toen wij op de plek kwamen, waar zij wat had zien vallen, vonden wij een perkamenten rol, die niets meer of minder bevatte dan de belofte, die heer Ogier aan koning Koenraad deed."

„En waar is die rol?" riep Otto, thans snel opspringende.

„Ga zitten, . brave man," zei Wolfaard en trok hem neder. „Laat mij verder vertellen ; ik ben zóó klaar. In twaalf dagen

Sluiten