Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

Wat zou hij nu doen? Zoo ras mogelijk heensnellen? Hij kon het doen, maar wat dan?

Dan kwam hij te Aken om daar misschien dagen lang een prooi te zijn van zijn onrust, om daar dezelfde te zijn, die hij hier was: de arme, berooide ridder, die nergers uitkomst zag en die niet wist, wat hij doen moest.

Hij hield zijn paard in, doch liet het niet terugkeeren. Antwoord gaf hij ook niet. Hij keek maar op den kop van zijn paard, alsof hij daar op de koperen knoopjes van het hoofdstel deed, wat kinderen wel eens met de knoopen van hun kleeren "doen, als ze geen besluit kunnen nemen, door met den vinger langs de knoopen te gaan en telkens te zeggen: „Doen! — niet doen ! — doen! — niet doen!"

„Is het paard van den dapperen ridder van Berkenheim geworden als de ezel van Bileam ? Wil het niet voort, heer ridder?" klonk het spottend, en het kwam hem voor, alsof hij niet alleen dien vreeselijken man, maar ook den boer hoorde lachen.

Dat de roofridder hem uitlachte, dat deerde hem niet. Een roofridder of een vroom ridder, dat deed er niet toe, hij was een edelman. Maar dat een boer, een vilain, hem uitlachte, dat kon hij niet dulden. Hij wendde zijn paard, reed op Öien boer toe en snauwde: „Wat valt hier te lachen en een edelman te bespotten ?"

De rijzweep of karwats ging al in de hoogte om den boer, die heel kalm bleef staan, een striem te geven, doch de monnikruiter hield de hand tegen, en nog immer lachend vroeg die monnik: „Wat zoekt gij hier toch,-heer Ogier? Moet gij ook ginds, zijn?"

Hij wees nu naar het huis, dat van Berkenheim uit de verte gezien had, en nu goed toekijkend zag hij dat het een groote ruïne was. De boer, met de karwats gedreigd, had de twee verlaten en trad die ruïne binnen.

„Ik geloof, dat gij u met dingen bemoeit, die u niet aangaan," antwoordde heer Ogier op hoogen toon. „Wie woont daar ginder dan?"

Sluiten