Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

,,/Wie daar woont? Wel, wie anders dan „Blonde Hanne," de waarzegster. Kom, laten wij samen er eens heengaan, om van haar te hooren welk lot ons wacht, de galg of een hertogskroon!"

„Ik laat mij niet met schelmen in, die het gewaad van een monnik ontheiligen. Heer Ogier van Berkenheim heeft zulke deugnieten niet noodig. Zijn eerlijk zwaard . . ."

De monnik barstte in een schaterlach uit, en riep: „Ho, ho, wat een dapper man die heer ridder „Zonderland" is! Kent ge mij bij geval niet?"

Een goede gedachte naar hij meende, maakte zich van heer Ogier meester, en zich houdend, alsof hij niet wist met wien hij sprak, zei hij: „Zelfs een ridder „Zonderland" is nog van te edelen bloede om zich met dorpers of schelmen op te houden."

„Dorpers of schelmen," hernam de ander en greep onder het wijde opperkleed naar zijn dagge, „dorpers of schelmen, als een moedig man mij die woorden toesprak, dan bleef een van ons beiden voor goed hier! Maar nu, bah, wie kent heer Ogier van Berkenheim, den dienaar van twee meesters, niet? Slim als een vos, dat is hij, maar bang als een wezel. Goed, vossen-slimheid doet soms meer dan leeuwenmoed. Laten we geen twist zoeken. Ik ben zelf heer Herman van den Wolfsburg, nu kent ge mij. Ik weet, wat gij een groot uur geleden den koning gevraagd hebt, en ik weet ook wat zijn antwoord was. Ik weet, dat Keizerswaard vallen zal, en dat dan de toekomst voor ons, die de rijke schelmen van poorters en kooplieden zoo nu en dan den pols voelen om ons van hun goud meester te maken, niet al te best zal staan."

„Het wordt meer dan tijd, dat de ridderstand niet langer tot schande gemaakt wordt door mannen, die zich ridders noemen en van lagen roof leven," waagde heer Ogier te zeggen. „Gij doet meer dan kooplieden plunderen!"

„O ja, zoo nu en dan bezoeken we ook de burchten van keizers en koningsvrienden. Gij weet het bij ondervinding. Brengt gij soms het losgeld ?"

„Gij weet wel, dat ik het niet heb, nu gij mij van al wat ik bezat, beroofd heb!"

Sluiten