Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jolanda," zei ze, „ja, ja, zoo is de naam, dien ik vergeten was. Zóó is hij ! En uw droomnaam is Koenraad."

Verrast keek Kerstand op en zei: „Jolanda, dan zijn wij gestolen kinderen van een edelman en ..." 1

„Stil," sprak Hanne, en legde haar hand op zijn arm, „vanavond komt koning Willem van Holland misschien; ik moet hem waarzeggen. Gij moet vluchten, en als hij dan langs de heerbaan terugkeert, moet gij u aan hem vertoonen en hem om zijn hulp smeeken. Ach, broeder, dat waarzeggen doodt mij, als ik het nog langer doen moet. Zult gij vluchten, als hij komt ?"

„Ja, nu stellig!"

„En zult gij hem dan om hulp smeeken voor u en mij ? Ach, ik moet hem akelige dingen voorspellen; moeder heeft mij reeds alles voorgezegd. Wie weet of hij ons wel helpen wil, als ik hem zooveel akeligs heb laten hooren. Maar doen moet gij het, zult ge ?"

„Ik^ zal, zuster, ik zal. Ik wil hier ook niet langer meer blijven, want nu weet ik, dat die menschen onze ouders niet zijn en dat ik dat alles niet gedroomd, maar beleefd heb. Kom, laten we naar binnen gaan en ons houden, alsof er niets gebeurd is."

Beiden verdwenen nu in de ruïne en kort daarop viel de najaars-avond met storm en regen.

Omstreeks een uur later hoorde men te midden van het stormgeloei en het plassen van den regen den hoefslag van paarden, die de ruïne naderden.

Zoodra dé zoogenaamde moeder van „Blonde Hanne" dit hoorde, begaf ze zich buiten de ruïne en vroeg aan de naderkomenden, wat zij zochten.

„Men heeft ons gezegd, dat hier een vrouw woont, die in de toekomst kan lezen en hier, mijn vriend, wilde gaarne van haar weten, wat hem in zijn volgend leven overkomen zal," sprak een der twee mannen die vooraan reed.

„Dat hij dan kome, die zich zijn leven wil laten voorspellen, maar ook hij alleen," sprak de oude.

„Neen, vrouwke, dat gaat niet," luidde het antwoord. „Wij samen komen binnen of wij samen gaan heen. Wat zal het zijn ?"

Sluiten