Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

104

te werken, en het leger des konings gemakkelijk te verslaan.

„Goed," zei koning Willem, „gij zult het volk vermaken. Verwijder u nu door de achterdeur der tent. De verrader moet u niet zien, ik geloof, dat ik hem hoor komen. En gij, knaap, gij zijt wel gelukkig dezen man tot vriend te hebben. Gij zult het ver brengen."

Deze laatste woorden golden Koenraad, die nu spoedig met Wolfaard in het donker tusschen de tenten verdwenen was.

„En nu hebt gij verteld, wat ik zwijgen moest," zei Koenraad een weinig ontevreden.

„De koning moest het weten, Koenraad, anders zou -er van het heele feest niets gekomen zijn. Ik zou het gezicht van dien huichelaar wel eens willen zien."

„Wat zou zijn lot zijn?"

„Over twee of drie dagen de galg, wat anders? Ook voor edellieden worden galgen gemaakt, wanneer ze zich den eernaam van edelman en ridder onwaardig deden worden."

„Ik geloof, dat koning. Willem u zeer genegen is !" zei nu Koenraad.

„Dat is hij, mijn jongen! En daar ik ü genegen ben, zoo zult gij er ook wel bij varen. Vertrouw me maar een weinig, en ge zult zien, dat ge in „Heer Vel-over-been" iemand gevonden hebt, die u helpen wil om in de wereld vooruit te komen. Of, wilt ge liever mijn vriend niet zijn ? Zeg het gerust!"

„Mijn leven lang," sprak. Koenraad en legde zijn teedere hand in de grove hand van den vreemden kunstenaar. -

TIENDE HOOFDSTUK. Het plan dreigt te mislukken.

Dat gaf den volgenden dag reeds een vreugde in het woelige, maar vrij eentonige legerkamp!

Koning Willem zelf was gekomen en had aan het verzamelde volk gezegd, dat hij op voorstel van heer Ögier van Berkenheim,

Sluiten