Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tts

Otto heel voorzichtig het hoofd tegen het uitgespannen tentlinnen, waardoor in dat linnen een plekje gevormd werd dat veel op een groote knobbel geleek.

Zonder dat Koenraad het bemerkte keek Wolfaard naar dat plekje.

Wat dat was behoefde Wolfaard niet te onderzoeken. Al was Otto nog zoo zacht genaderd, Wolfaard had het gehoord, en tusschen het spreken en luisteren door had hij geen oogenblik verzuimd om elk geluid daar buiten de tent op te vangen.

Hij glimlachte toen hij dien grooten, platten knobbel zag en zei tot Koenraad: „Ik moet je toch nog eens zeggen, dat je veel te luid spreekt, mijn jongen! Bedenk toch dat een linnen tentwand heel wat anders is dan een dikke muur in de ruïne, waar je zoo lang gewoond hebt!"

„Zou men ons hier beluisteren?" vroeg Koenraad.

„Ik denk niet, dat men het nu doen zal, mijn jongen! Alles heeft nu alleen gedachten voor het feest. Maar als men niet tot gewoonte aanneemt om in een tent, als deze, zacht te spreken, dan zal men negen keer niet beluisterd worden, maar den tienden keer wel. En als je dan eens wat gezegd had, dat geheim moest blijven, wat dan?"

„Uw raad is goed, Wolfaard! Ik bemerk iederen dag, dat ik veel van u kan leeren/ maar ... ik ben zoo onwetend. Zult gij geduld met mij hebben, als ik dom ben?"

Wolfaard zag den schoonen knaap met zijn vriendelijk gelaat hartelijk aan. Hij stak hem de hand toe en zei nu: „Geduld met je hebben? Wees maar niet bang, Koenraad! Met jou zal ik altijd, altijd geduld hebben!"

„Waarom toch?"

„Waarom? Ik weet het zelf niet! En ja, ik weet het toch wel. Ook ik was eens als gij. Wie mijn vader geweest is, ik weet het niet! Wie mijn moeder was, ik Weet het ook niet. Ik was geloof ik een vondeling. Een brave, maar zeer geleerde monnik ontfermde zich over mij. Hij bewaakte bij dag mijn gangen, bij nacht mijn sluimering. Met al de liefde en trouw

Sluiten