Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een vader en een moeder samen, bracht hij mij groot, en aan hem heb ik het te danken, dat ik geworden ben, die ik ben. En, Koenraad, die vrome vader leeft nog. Ik zal alles doen, wat ik kan, dat hij ook u geeft, wat hij mij gaf.- Maar vooreerst kan dat niet en zoo lang gij nu niet bij hem zijt, wil ik voor u wezen, al wat ge zoo jong hebt moeten derven, ik wil je vader, als ik kan wil ik je moeder zijn. Neemt ge dat aan?"

„O, Wolfaard, wat maakt ge mij gelukkig! Ja, ja, ik wil, ik wil!"

De armen van den verlaten knaap strengelden zich om den hals van den reus. Hij gaf hem kus op kus, en het kwam er -zoo gelukkig uit: „Nu ben ik niet meer alleen!"

„Goed, goed, maar laat mij nu nog zeggen, wat ik te zeggen heb, want zoo op het oogenblik moeten we heengaan om voor het volk te toonen, wat wij kunnen!"

Hij zette den knaap neer, en zei: „Luistert goed toe, want het is een geheim, dat ik u ga meededen en zal dus heel zacht spreken."

De groote, platte knobbel in hef linnen werd grooter. Wolfaard zag het.

De vuist, de vreeselijke, ging omhoog. Zij daalde neer.

Buiten de. tent hoorde men wat op den grond ploffen.

Verschrikt sprong Koenraad terug en vol angst vroeg hij: „Wat hebt ge daar gedaan ?"

„Wees niet bang, mijn jongen, ik heb een luistervink zoo geaaid, dat hij in het eerste uur wel vergeten zal om te luisteren."

„Was er dan daar buiten een?"

„Ja, en hij heeft alles gehoord, wat ik u van de roofridders vertelde en daar hij er mee heulde, had hij heel het plan kunnen verijdelen."

„Maar hoe wist ge dat?"

„Ik hoorde hem nader schuifelen en daarna zag ik zijn hoofd!" „Kunt gij dan door het linnen heenkijken?"

P. LOUWERSE, DE VOS VAN BERKENHEIM. 4e DRUK. 8

Sluiten