Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïi4

„Neen, maar hij drukte het hoofd tegen het linnen en nu zag ik .. ."

„O, ik heb dat bolle ding ook gezien. Ik dacht dat het van den wind was."

„Vertrouw maar niet te veel op de oogen vóór gij ze goed geoefend hebt, Koenraad! En nu de luisteraar een poosje doof is, zal ik alles vertellen. Het volk zal gewapend verschijnen, en weet ge waarom ?"

„Neen, ik begrijp er niets van!"

„Dat is duidelijk, maar ge zult alles begrijpen. Dat ik sterk ben, weet iedereen, maar hoe sterk, dat weet niemand. Dat weet ik zelf niet!"

„Maar hoe kan dat? Gij zult zelf toch wel eens beproefd hebben, wat ge nog kunt en niet meer kunt ?"

„Neen, Koenraad, wat ik beproefde, omdat ik er toe gedwongen werd, dat kon ik doen. Of ik meer kon, weet ik niet. Dat zou uitgekomen zijn, als ik genoodzaakt was geworden meer dan dat te doen. Om een meisje te beschermen, heb ik eens tegen negen sterke boeren moeten kampen en ik overwon. Misschien zou ik "er twaalf ook overwonnen hebben, als men mij bevolen had niet tegen negen, maar tegen twaalf mannen te vechten. Dat ik tegen negen man het opnam, weten ze hier in het leger, en om nu te maken, dat iedereen gewapend is, als de roovers komen, heb ik laten weten, dat ik heel alleen, tegen twaalf der sterksten, die gewapend zijn, vechten zal." ~: • 1^

„Maar als nu twaalf mannen eens boven uw krachten zijn?"

„Wees gerust! Dat gevecht heeft niet plaats, want juist als het beginnen moet, zal mij geseind worden, dat de roovers komen, dan vinden deze het leger wel te midden van feestvreugd, maar gewapend en gereed om aan te vallen."

„Weet koning Willem dat ook?"

„Ja, hij kent mijn heele plan, en terwijl wij de roovers van voor bestrijden, zal hij met zijn gewapende edellieden hen van achter aanvallen. Nu weet gij meteen waarom de koning al de

Sluiten