Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenwel voor het plan verderfelijk zouden zijn, als Otto ze niet wist.

„Hij zal zeker naar de veld-taveerne 'gegaan zijn om zich daar te goed te doen zonder wat te betalen," dacht heer Ogier. Hij kende Otto door en door en wist dat hij den tavenier zeggen zou: „Morgen rekenen we af!" wetende, dat er getn sprake van zou kunnen zijn.

In de taveerne vond hij hem echter ook niet en door al dat zoeken had hij het sein tot vertrek niet hooren geven. Toen hij bij de plaats van afvaart kwam, was men vertrokken zonder hem.

Woedend over dat bewijs van minachting keerde hij naar zijn tent terug. Mogelijk zou Otto er nu zijn en hem spreken moest hij, anders liep alles mis.

Hij vond hem echter niet en nu heer Ogier weer overal begon te zoeken, kwam hij ook weer achter de tenten van heer Jan van Avennes en heer Hugo van Langerak; daar zag hij Otto uitgestrekt op het gras liggen met een blauwe vlek aan den linkerslaap van het hoofd.

Hij boog zich over hem heen, schudde hem en begon hem ten laatste te schoppen.

Geen teeken van leven gaf de ongelukkige, die dan ook terstond door Wolfaards vuistslag gedood was geworden.

„Pas op," bromde heer Ogier. „Als men mij hier vindt, vertellen ze nog, dat ik hem gedood heb en dan . . . die vrome koning is er niet te goed voor om . . ."

Hij hoorde eenig gerucht en maakte, dat hij achter de tenten weg kwam.

Zeker was het zijn kwaad geweten geweest, of . . . wie weet of Geert en Derk hem niet beloerden.

Hij kende echter die menschen niet eens en daarom vreesdé hij hen ook niet.

Opeens bleef hij staan.

„Als hij mijn verdrag met koning Koenraad eens in den zak had, of op het lijf droeg," dacht hij.

De kans dit in handen te krijgen deed hem het gevaar ver-

Sluiten