Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een wit vlaggetje aan een stok in de hoogte gaan, welk vlaggetje het afgesproken teeken met Derk en Geert was, als de roofridders nader slopen.

Messen en ballen werden neergeworpen, en een verbazend groot slagzwaard grijpend, riep hij : „Mannen, mijn uitdaging was een list, om u allen gewapend op de feestplaats te doen verschijnen. Ik wist, dat de roofridders Herman van den Wolfsburg en Joris van den Rotsburg een aanval op ons legerkamp zouden doen. Te wapen ! Op ! Daar zijn ze! Op ! Op ! Slaat dood! Holland! Holland!"

In een oogenblik was nu de feestplaats, vanwaar slechts luttele oogenblikken geleden een vroolijk gejuich opsteeg en waar de bierkroes lustig rondging, in een bloedig oorlogsveld herschapen.

De macht der roofridders was sterker dan men vermoed had, want niet minder dan twintig edelen, die van roof leefden, hadden zich verbonden, en een legermacht van wel bijna zesduizend man op de been gebracht.

Toch was de overmacht aan de zijde van koning Willems lieden en met een man aan het hoofd als Wolfaard, schenen ze zelfs voor een vier- ofvijfmaal sterkeren vijand onoverwinnelijk.

Suizend vloog het vreeselijke reuzenwapen van Wolfaard door de lucht.

Overal ging het door en niets hield het tegen.

En hij, die dit zwaard hanteerde, droeg onder de lederen bovenkleederen een fijn maliënhemd, dat geen pijlpunt door liet.

„Op! Op! Holland! Holland!" klonk zijn sterke stem.

„Holland! Holland !" werd er achter de gelederen der roovers geroepen, en zij die dezen welbekenden kreet lieten hooren, Waren koning Willem en de zijnen, die achter den vijand geland waren en hem nü in den rug vielen.

Thans was alles spoedig beslist en de roovers sloegen op de vlucht.

Ook heer Herman had reeds zijn paard gewend, om zijn vriend heer Joris te volgen, doch Wolfaard smeet zijn slagzwaard neer, greep, met de linkerhand het paard bij den kop en wierp met

118

Sluiten