Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

U9

de rechterhand heer Herman van het paard op den grond, waar hij weldra gekneveld werd.

De henker of beul trok hem voort aan de touwen, waarmee men den roofridder gebonden had, als een trosboef midden door de woeste krijgslieden, die den overwonnene op de grofste wijze beschimpten. Wolfaard liep aan de rechterzijde van den gevangene, als een ridder zonder vrees of blaam.

Zoo ging de optocht naar de tent van koning Willem, die recht over den roover spreken zou.

De aanslag was dus volkomen mislukt, en toen de tijding van de bisschoppen in het kamp kwam, dat koning Koenraad door hen verslagen was, kón koning Willem denzelfden bode terugzenden met het bericht: „De roofridders zijn verslagen en op de vlucht gedreven en Herman van den Wolfsburg is onze gevangene."

En heer Ogier van Berkenheim ?

Terwijl deze nog bezig was met het lijk van Otto te onderzoeken, werd hij bij dat werk gadegeslagen door Derk en Geert, die zich bij die tent in een hoogen boom verborgen hadden, om door het opsteken van een wit vlaggetje de nadering der roovers te kennen te geven.

Eenig geluid, dat ze tusschen de takken maakten, deed heer Ogier verschrikt rondzien. Dat er boven in den boom mannen zaten, die alles konden zien, wat hij daar deed, maar ook alles konden hooren, wat hij mompelde, wist hij niet. Hij keek dus niet omhoog en daar er voor het overige nergens wat te ontdekken was, ging hij met zijn onderzoek voort.

Ja, duidelijk hoorde hij, dat de aanval der roovers geschied en het gevecht begonnen was.

„Straks, straks zal ik er wel heengaan," bromde hij. „Hier is mogelijk voor mij wel het beste en voornaamste te vinden!"

En zoo ingespannen zette hij zijn onderzoek voort, dat hij niet hoorde, hoe iemand zich uit den boom liet zakken.

Het was Derk, en op den grond gekomen was hij met één

Sluiten