Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132

roovers hadden naar het schijnt, nog tijd gevonden om dit werk te verrichten.

„Eerst gerechtigheid geoefend, en dan brand blusschen," sprak heer Hugo van Langerak. „Wij moeten zeker zijn, dat hij ons niet ontsnapt."

Aan het bevel werd voldaan, doch de brand nam zoo overhaast toe, dat men zich den tijd niet gunde, om te zien of de roover reeds bezweken was.

Een man kroop nu uit het hout, sneed het touw los en liep met het lichaam van heer Herman heen. Spoedig zat hij er mee te paard, en na een wilde vlucht van een uur lang, voelde hij opeens leven in het lichaam, dat hij voor dood mee genomen had.

„Komaan," sprak hij, „dat zal waarlijk zijn leven nog gered hebben, waar ik al tevreden Was met zijn lichaam."

Hij hield het paard stil, steeg af en legde het machtelooze lichaam in het lange gras, dat nat van den najaarsdauw was.

De redder liep naar een beek, schepte zijn helm vol water, en goot dit bij gedeelten in den mond van den gehangene, die langzaam bijkwam.

j,Waar ben ik ?" vroeg hij met zwakke stem.

„In goede handen," sprak de ander. „Ik ben uw vriend Joris van den Rotsburg. De papenkoning zal er gek van opkijken, als hij hoort, dat gij het toch nog ontkomen zijt."

„Maar hoe hebt gij dat toch gedaan gekregen ?" vroeg heer Herman, die langzaam geheel tot zichzelven kwam.

„Na de vlucht ben ik in het donker terug gekeerd en toen ik hoorde, wat er gebeuren zou, stak ik den brand in eenige tenten. De verwarring, die hierdoor ontstond, deed den beul half werk verrichten; zoodra waren ze niet heen om den brand te blusschen, of ik sneed het touw door en vluchtte met u."

„Ik zal den dienst, dien ge mij bewezen hebt, nooit vergeten," zei heer Herman. „Kunt ge mij nu thuis brengen ?"

„Mijn burcht ligt dichter bij en ik wil er zijn, vóór dat een van mijn volk terug gekeerd is. Kom, wij moeten heen !"

Sluiten