Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

123

„Ik gevoel mij wel wat afgemat," zei heer Herman. „Ik geloof dat ge geen tien tellens later hadt moeten komen of de strop zou mij het leven benomen hebben."

„Dat geloof ik niet, dat weet ik zeker," sprak heer Joris. „Ik moet je dan ook eerlijk . . ."

„Nu, ga voort!"

„Ik geloof dat wij achtervolgd zijn; ik hoorde wat."

„Een haas uit den slaap opgeschrikt, waarschijnlijk!"

„Dat zal wel zoo zijn, want niemand kan ons achtervolgd hebben dan te paard en een paard heb ik niet gehoord."

„Dan is het een haas geweest, maar zeg mij nu : Wat wilde je daar pas zeggen toen je plotseling in je woorden steken bleeft ?"

„Dat het mij ook niet te doen was om uw leven te redden! Wij hebben immers al te dikwijls gezien hoe spoedig de strop een einde aan het leven van een gehangene maakt ?"

„Zeker hebben wij dat! Maar wat wildet gij dan ?"

„Uw lijk rooven om dan het gerucht te laten gaan : Heer Herman van den Wolfsburg is den dood ontkomen en leeft nóg om zich op den papenkoning te wreken."

„Welk voordeel zat daarin ?"

„Een groot, een zeer groot voordeel! Uit vrees voor de roofridders en vooral voor ridder Herman, zou hij dan zijn legermacht, die niet al te groot is, moeten splitsen. Het eene deel zou tegen koning Koenraad optrekken en het andere deel zou hier blijven om de roofridders in bedwang te houden."

„Vindt gij het dan zoo prettig voortdurend bedreigd te zijn ?"

„Neen, maar dat is nu toch in ons voordeel. Gij weet dat koning Koenraad onze hulp tegen den waterkoning aangenomen heeft. Het is dus in ons belang, dat hij overwint, want als hij gebied voert, zal hij ons, zijn bondgenooten, met rust laten wanneer we een koopman of een edelman de beurs lichter helpen maken, of hem van de vrijheid berooven om een losgeld te bekomen."

„Als de waterkoning ons voor dien tijd niet overwint. Wij

Sluiten