Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

133

Koning Willem naderde aan het hoofd van een aanzienlijken stoet edelen en gaf aan de onderbevelhebbers last, de legerplaats op te breken en hem te volgen naar Keulen, waar hij zijn moeder en moei hoopte te ontmoeten.

Thans was alles in beweging en eenige dagen later bevonden allen zich in Keulen, dat toen reeds een zeer aanzienlijke stad was. Het feest van Drie Koningen was op handen, en de aanzienlijke gasten, die met den bisschop het kerstfeest gevierd hadden, nu vermeerderd met koning Willem en zijn talrijk gevolg, gaven aan de oude stad buitengewone bezigheid. Vooral hadden de wapensmeden en zwaardvegers het bijzonder druk, want de ridders maakten van hun verblijf in deze stad gebruik, om hun wapenen, harnassen, schilden en helmen, die in den langdurigen strijd niet weinig geleden hadden, te laten herstellen of door geheel nieuwe te vervangen.

De mannen van wapenen hadden echter weinig te doen, en liepen nu door de straten om te genieten van het woelige en gezellige bedrijf der Keulenaars, die alles deden om het hun gasten naar den zin te maken.

Ook Wolfaard en Koenraad volgden het voorbeeld van hun makkers en dwaalden nu hier dan daar; zelfs bracht Wolfaard zijn jongen vriend in kennis met doctor Albertus, die niet weinig verbaasd stond zijn vroegeren leerling, niet alleen in krijgsgewaad, maar ook wat zijn uiterlijk betrof, zoo ongunstig veranderd te zien.

„Ik zal u vertellen hoe dat gekomen is, eerwaarde vader," sprak Wolfaard en deelde hem de geschiedenis mee, die wij van hem al te weten gekomen zijn en hij eindigde met te vragen of hij volgens het oordeel van vader Albertus verkeerd en zondig gedaan had met een Jodin te helpen, alsof ze zijn zuster was.

„Maar, mijn zoon, hoe kunt ge mij dat vragen ? Was niet de Samaritaan van een heel ander geloof dan de geplunderde Jood en hielp hij hem niet in alles, zelfs met gevaar zijn eigen goed en leven te verliezen ? En prees de Heer Jezus dien Samaritaan

Sluiten