Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

m

„Dan zal alles aan hem komen, mits hij kan bewijzen, dat hij de wettige erfgenaam is." „En als hij dat niet kan?"

„Dan blijft het in handen van mijn heer en van graaf Hendrik van Vianden." •

„Nu, man, ik dank u wel voor alles, wat ge mij verteld hebt, doch vraag nu maar niet weer naar den naam van den knaap, die u zoo bekend voorkwam, en uw nieuwsgierigheid zoo gaande maakte."

„Welke gekheid is dat nu ? Dat is niet eerlijk."

„Dat is wel eerlijk, trouwe dienstman van Heinrich van Stolzenburg, want de knaap, naar wiens naam ge vraagt, kan niemand anders zijn dan de wettige erfgenaam jonker Koenraad van Stolzenburg, en zijn zuster Jolanda leeft en woont bij de moei van koning Willem, bij Richardis van Holland, de Jonkvrouwe van Delft."

„O, dank, dank! De goede God zij gedankt, dat ik de kinderen mocht vinden van den man, voor wien ik mijn leven had willen geven. Mijn hart zei het mij, dat hij de jonker is. Hij is het evenbeeld van hetgeen zijn heer vader was. O, breng mij bij hem!"

De tranen stonden den rentmeester in de oogen, en hij drukte zoo hartstochtelijk de handen van Wolfaard, dat deze, die anders niet zoo teergevoelig was, nu ook aangedaan werd.

„Bedaar, goede vriend," sprak Wolfaard nu. „Ik houd zielsveel van den knaap, maar hoewel ik ook overtuigd ben, dat hij niemand anders is dan heer Heinrichs zoon, toch kan niemand het bewijzen. De Heidens, uit wier handen hij met zijn zuster verleden jaar is verlost geworden, zijn terstond voor hun tooverkunsten en dieverijen terdood gebracht. Maar, ik geloof dat ik u toch helpen kan en ik wed, dat ik den roofridder ken, die zooveel gruwelen verricht heeft. Ik heb nu een voorstel te doen."

„En dat is?"

„Dat gij onzen jongen vriend niets van alles zegt. De koning heeft mij beloofd, dat ik een bende den weg wijzen mag naar

Sluiten