Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H5

DERTIENDE HOOFDSTUK.

De Rotsburcht verwoest.

Zoo omstreeks een uur na zons-ondergang trok een bende van honderd forsche, welgewapende mannen een der poorten van Keulen uit. De aanvoerder was een lange man, van onder tot boven geheel in het ijzer. Naast hem liep, ter rechterzijde, een jongeling van edele gestalte in lichte krijgskleeding en ter linkerzijde een stevig gebouwd man, ook geheel in het ijzer. Gouden riddersporen droeg niemand hunner, zoodat er geen ridder bij was. De drie waren Wolfaard, Peter en Koenraad, de anderen waren de mannen, die Wolfaard uitgekozen had om hem te vergezellen.

Twee dagen lang reisde men als het donker geworden was verder en overdag hield men zich in de bosschen schuil.

„Wat is dat?" vroeg Koenraad aan den morgen van den derden dag, toen ze in de nabijheid van den Rotsburcht gekomen waren.

„Dat is het geklapper van een molenrad," zei Wolfaard, en hierop nam zijn gelaat een vreeselijke uitdrukking aan.

„Hoe kijkt ge zoo verwoed ?" vroeg Koenraad eenigszins angstig.

„Daar zal hij den dood vinden," sprak Wolfaard op ijskouden toon, en wees op het wentelend molenrad, dat door den sterken stroom bewogen werd.

Wolfaard verzamelde nu zijn mannen en zei: „Daar is de Rotsburcht! De roovers slapen nog, want den halven nacht brengen ze bij den dobbelkroes en den beker door. Wacht gehouden wordt er echter wel. Maar, niet hier moeten we den burcht aanvallen. Gaat mee, ik zal u een pad wijzen, dat ons binnen het roovershol brengt. Maakt geen geluid en verraadt u niet door eenig woord, voor ik u toeroep: Sla dood !"

De • mannen knikten ten teeken van goedkeuring en volgden Wolfaard naar een rotsachtigen heuvel. Hoewel het steile pad,

P. LOUWERSE, DE VOS VAN BERKENHEIM. 4e DRUK.

Sluiten