Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

147

ons! Slaat dood al wat vlucht, of met een wapen tegenover u komt! Geen genade voor roovers en moordenaars !"

Aan den wand hing een ontzaglijk groot en zwaar slagzwaard. Wolfaard greep het en met dit yreeselijke wapen in de vuist snelde hij onder het geroep van: „Holland! Holland! Slaat dood! Slaat dood !" de slaapzaal des roofridders uit en het kasteel in.

Een vreeselijk bloedbad werd thans onder de roovers aangericht.

Te midden van dit bloedig bedrijf zag Wolfaard, opeens een man in monniksgewaad.

„Ik weet, wie hij is," riep -Wolfaard. „Ik herken hem ! Het is Ogier, de Vos van Berkenheim ! Op, mannen, op, den Vos gevangen !"

De zoogenaamde Vos zette het op een loopen, en hoewel terstond door Peter en eenige anderen achtervolgd, wist hij het dreigende gevaar te ontkomen.

Terwijl dit plaats greep, was Wolfaard naar het slaapvertrek van heer Joris gegaan. Op een vreeselijke wijze met touwen gebonden, vond hij hem op den houten vloer van het slaapvertrek liggen.

„Zeg mij, meester roover, waar zijn uw gevangenen ?" vroeg Wolfaard, na hem den mond vrijgemaakt te hebben.

De gevangene gaf geen antwoord.

„Gij hebt ongelijk, als gij het mij niet zegt, Joris van den Rotsburcht! Ik heb nog een appeltje met u te schillen van eenige jaren geleden, toen gij drie Joden gedood hebt, om u van hun geld en goed meester te maken. Ik redde het meisje, dat er bij was, het leven, doch de gevolgen van die redding waren, dat ik mij een vreeselijke ziekfe op den hals haalde. Vóór dien tijd was ik Lodewijk van Vaelbeke, de minstreel, beroemd om zijn schoonheid. Na de ziekte was ik, die ik nu nog ten deele ben: „Heer Vel-over-been," en moet ik mijn toevlucht zoeken bij het zwaard. Dat vergeef ik u niet; den akeligsten dood zult gij sterven, als gij mij niet zegt, waar ge de arme gevangenen opgesloten houdt."

Nog volgde geen antwoord, en het. gelaat van heer Joris vertoonde alleen een hatelijken grijnslach.

Sluiten