Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

149

ning, naar iets, dat op een deur geleek, of naar een trap. Alle muren werden onderzocht en alle kasten van de plaats genomen. Niemand echter was er, die wat vond.

„Zou er mogelijk ook een toegang gevonden kunnen worden langs het pad, waardoor wij in de slaapkamer van den ridder kwamen? Een eindweegs was dat pad toch een gang door de rots," zei Peter.

Het kon onderzocht worden en de noodige fakkels werden ontstoken.

Dit zoeken was evenwel ook vergeefsch.

„Maar zie, deze deur, die in het slaapvertrek uitkomt, heeft hij den post nog twee hangen, en de post zelf schijnt uit twee stukken te bestaan," sprak een der mannen, die timmerman van beroep was.

Daarop had men nog niet gelet en nauwelijks had de gewezen timmerman een poging aangewend, of de dubbele deur draaide open, en men stond in een zeer ruim vertrek. Aan het einde van dit gewelf was nog een deur, en toen deze geopend werd, vond men een trap, die hen met eenige treden in een lange gang bracht.

„Ik hoor steunen en klagen," zei Peter. „We zijn terecht."

Dat zijn we, maar waar vinden wij de sleutels om deze deuren te openen?" vroeg Wolfaard.

„We willen ze bij dien ouden Armand zoeken," sprak de gewezen timmerman, en ging heen, doch toen hij draalde terug te kómen, ging een ander, die ook wegbleef. Zoo verdween de een na den ander uit de gewelven.

„Ik denk, dat ze het plunderen aangenamer en voordeeliger vinden dan het bevrijden van gevangenen. Wij moeten zien, dat wjj onszelven helpen," zei Wolfaard. „Gaat mee! We hebben ook nieuwe fakkels noodig."

Peter en Wolfaard gingen nu naar boven, en kwamen tot de ontdekking, dat bijna al de mannen den wijnkelder gevonden hadden, en zich daar overgaven aan een onmatigheid, die alle perken te buiten ging. Peter en Wolfaard trachtten niet

Sluiten