Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem niet en met geen enkelen band was hij gebonden. Dit was het werk geweest van Wolfaard, doch zeer vergissen we ons, als we meenen, dat zijn goed hart hier sprak. Hij had een heel wreed plan met den gevangene.

En wat had Wolfaard nu in het klooster te zoeken?

Zie, daar zit hij naast zijn ouden leermeester in een klein vertrek van het Keulsche huis, geheel met hem alleen.

„En >wat dreef u met zulk een spoed hierheen, Wolfaard?" vroeg de monnik.

„Een gewichtige geschiedenis, vrome vader! Gij weet, dat het mij onlangs gelukt is om den Rotsburcht te verwoesten."

„Ja! En komt gij nu over uw gevangene spreken ?"

„Neen, vrome vader ! Maar ik heb u nog niet gezegd welke twee gevangenen ik daar in een der kerkerholen vond."

„Dat hebt ge ook niet. Wie waren dat ?"

„Een ridder en zijn gemalin, die daar een jaar of veertien gevangen hadden gezeten. Beiden kwamen als stompzinnigen, die zelfs het licht der ondergaande zon niet konden verdragen, te voorschijn."

„Arme lieden! En wat is er mede gebeurd ?"

„Ik heb ze naar een naburig klooster laten brengen, vrome vader, en daar zijn ze, door de zorgvuldige behandeling der monniken, zoo goed als hersteld. De lichaamskrachten van den ridder zijn geheel terug gekeerd en zelden heb ik een ridder gezien met zulk een krachtige gestalte. Ook zijn afgedwaalde geest is weer op den goeden weg, doch hij blijft steeds treurig gestemd. Zijn gemalin is nu in een nonnenklooster, en wanneer hij haar opzoekt, dan kunnen beiden uren lang naast elkander zitten zonder een enkel woord te spreken. Alleen nu en dan drukken ze elkander krampachtig de hand, en niet zelden ziet men bij hen de tranen langs de wangen stroomen."

„Ze lijden zeker aan stil verdriet, aan groote smarten!"

„Dat zeggen ze in het klooster ook, vrome vader! De ridder echter blijft, als ze hem naar de oorzaak van leed vragen, stom, en zoo ook doet zijn gemalin,"

155

Sluiten