Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ver weggevoerd van 't vaderhart

Was Koenraad, 's ridders zoon, Ver weggevoerd van 't moederhart,

Jolanda, lief en schoon.

Dat leed greep diep onze armen aan,

En van hun kroost beroofd, Werd 't licht des geestes van die twee

Ten slotte ook uitgedoofd."

Weer zweeg Wolfaard, maar de vingeren tooverden op de harpsnaren geluiden, die zoo weemoedig klonken, dat de tranen langs* de wangen van den prior biggelden.

En daar in het naaste vertrek was alles stil; men hoorde niets.

Maar langzamerhand werden die weemoedige tonen wild en woest. Het was den prior, of hij te midden van het vreeselijkste onweder den storm hoorde huilen en den hagel hoorde kletteren.

„Ja, ja," mompelde hij in zichzelven, „zulk een storm en een onweder heerschten ook in de harten der arme ouders, die zooveel verloren hadden."

Maar even als men des zomers, na een onweder, de zon weer ziet doorbreken om heel de natuur in een paradijs te herscheppen, zoo liet de meester harpenaar ook op het wilde tonenspel schoone akkoorden volgen, welke zoo vriendelijk tot het hart spraken, dat zelfs het felst bewogen gemoed tot kalmte gebracht moest worden.

En daar begon de „Vinder" weer.

„Maar hoor, het uur der wrake slaat;

De roofburcht wordt berend Door een bende, fier en stout,

Die geen genade kent.

Geen roover blijft door hen gespaard. —

Nu toonen kool en asch Bij muren, stuk en zwart gevlamd,

Waar eens de roofburcht was.

En wat in holen jaren lang

Naar vrijheid had gesmacht, Werd door de wrekers vrij en frank,

In veiligheid gebracht.

Sluiten