Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i&3

„Nu, hierin vergist gij u niet! Nu eens was de harp, dan het zwaard mij het liefste, maar ik moet erkennen, dat ik alleen weer uit drang naar. het zwaard greep. Wanneer ik onrecht zag plegen, kreeg ik hem of haar lief, die onrecht leed, en het was altijd en altijd diezelfde meesteres, die mij dan beval: „Gij hebt uw reuzenkracht niet om er mede te spelen, maar om ze te gebruiken, om anderen gelukkig te maken !" — En als dit gezegd was, greep ik naar het zwaard!"

„Men rijdt ons achterop!" zei nu heer Heinrich toen ze bij een bouwval waren.

Wolfaard keek achter zich en zei: „Daar komen zes schavuiten van den Wolfsburcht! Wij kunnen ze niet ontkomen. Wij moeten ons verdedigen."

„En gij hebt geen wapen bij u. Dat korte heupzwaard is niet tegen lansen berekend!" s

„Ik zal mij een wapen verschaffen, edele heer!"

Dit zeggende sprong de minstreel van zijn paard, liep naar den bouwval en rukte daar een lange en dikke ijzeren spijl uit een opening, die voor raam gediend had. De spijl was dikker dan zijn pols en langer dan de langste lans.

Met dit wapen in de hand sprong hij, tot verbazing van heer Heinrich, met het grootste gemak te paard en zei: „Gun. mij nu u te toonen, hoe sterk ik ben, edele heer, en kom mij niet eerder te hulp voor gij ziet, dat ik het verliezen zal. Gij kunt vrij uw krachten sparen! Ik heb meer dat spel gespeeld! Daar zijn ze !"

Er waren niet zes, maar negen ruiters, die drie aan drie met gevelde lansen op de twee kwamen aanrennen onder het krijgsgeroep van: „Wolf! Wolf!"

„Holland!" antwoordde Wolfaard kalm.

Er floot wat door de lucht!

Het was de ijzeren staaf, en eer de lanspunten der voorste drie ruiters zijn paard bereikt hadden, werden de drie voorste ruiters in één slag van hun paarden geslagen.

Een zwaai, — een nieuw gefluit!

Sluiten