Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i68

dame is niet de jonkvrouwe van Holland. Kent gij deze ?"

Nu opende Jolanda even den mond en fluisterend klonk het: „O, die droomen, die droomen!"

De ridder ontroerde meer en meer en eindelijk riep hij uit: „Jolanda! Jolanda!"

„Vader, vader, lieve vader," kreet Jolanda en op hetzelfde oogenblik lagen beiden in elkanders armen.

Mejonkvrouwe Richardis, die haar nieuwsgierigheid niet bedwingen kon en naar de deur der voorzaal geslopen was, hoorde dien uitroep, en kwam nu ook aansnellen.

„Is ze dood ? Kostte de blijdschap haar het leven ?" vroeg ze.

„Wees gerust, mejonkvrouwe, de blijdschap doodt niet zoo lichtelijk. Maar, hoor, hoor ! Klaroengeschal, fluiten en trommen ! De koning is er !"

„Heil! Heil den koning! Heil! Heil de koningin!" juichte en joelde het volk.

Als de wind zoo vlug liep broeder Albertus naar de zware voorpoort van het huis, doch Wolfaard was hem al voor geweest.

„Daar komt hij ! Daar zit hij !" riep Wolfaard. „Zie, hij springt van zijn paard! Hij komt hierheen," zei broeder Albertus.

„Weet de ridder al dat . . ."

Eer Wolfaard zijn vraag voleindigd had, zei broeder Albertus : „Vader en dochter liggen reeds in elkanders armen, beste jongen! Aan u is het om den zoon bij den vader te brengen! Mijn hart is te vol, ik zou dat niet kunnen. Ik moet een eenzaam plaatsje opzoeken om God te danken voor de heerlijke vreugde, die Hij mij te aanschouwen geeft."

Sluiten