Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

172

„En waar is hij gebleven? Heeft koning Willem hem beloond of weer in vertrouwen aangenomen?"

„Hij is verdwenen zonder zich aan den koning vertoond te hebben, doch, wat denkt ge, zou ik nu Jolanda niet eens opzoeken?"

„Zij spreekt met een edelman, die ge graag zult leeren kennen!" „Wie is het dan?" „Iemand, die u liefheeft!" „Kom! Niemand kent me!"

„Iemand, die met innig verlangen naar u wacht."

Koenraad keek Wolfaard met groote oogen aan, en eenigszins ongeduldig sprak hij : „Zeg het mij dan toch!"

„Herinnert gij u nog, dat we, na den Rotsburcht ingenomen te hebben, arme gevangenen, die vreeselijk geleden hadden, naar een klooster lieten brengen?"

„Ja. Ik wilde immers gaan kijken, en dat werd mij door u belet."

„Het zou niet goed voor u geweest zijn, Koenraad! Maar diezelfde twee, die te ziek waren om ze u te laten zien, zijn nu hersteld, en een der twee is bij Jolanda."

„Zeg mij dan toch wie," riep Koenraad ongeduldig uit.

„Ga maar mee," zei Wolfaard, „ik zal u in de voorzaal brengen, doch reken er op, dar. ge iemand ontmoeten zult, dien ge meer dan iemand anders zult leeren liefhebben. Het geluk is de wereld nog niet uit, heer page!"

„Heer page? Waarom niet Koenraad?"

„Zoo even Koenraad, nu „heer page!"

Juist wilde Wolfaard de deur van de voorzaal opendoen, toen een ander dit deed. Koenraad liep zonder te groeten naar binnen en Wolfaard stond tegenover Richardis.

„Meester zanger," sprak ze, „wat is door u toedoen veel geluk geboren. De lieve Jolanda, verbeeldt zich in het paradijs te zijn, en thans zullen een derde en een vierde gelukkig worden. Hoe moet uw hart van vreugde kloppen, waar ge zoo leeft om anderen gelukkig te maken!"

Sluiten