Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i;9

Een der mannen was blijkbaar geen krijgsman, want hij had geen wapenen bij zich. Dat was heer Herman van den Wolfsburg, en met hem wilde Wolfaard zich nu van het slot meester maken op een wijze, die wij in onzen tijd leelijk vinden zouden, doch die toen meermalen in praktijk gebracht werd.

De tocht geschiedde, even als den vorigen keer, bij nacht, om daardoor de roovers onvoorziens te kunnen overvallen.

Ditmaal echter ging de tocht met veel moeilijkheden gepaard, want de omstreken van den Wolfsburcht waren veel meer bewoond dan die van den Rotsburcht.

„Weet gij wat ik geloof, heer," zei een der mannen, die de aanvoerder was van een onder-afdeeling der bende, tot Wolfaard.

„Misschien wel hetzelfde als ik, Marten ! Gaan uw gedachten niet over het volk, dat hier woont ?"

„Ja, heer! Als de omstreken van. een roofburcht goed bebouwd en bewoond zijn, dan heulen de lieden met de roovers, die op het slot zijn, ja, misschien zijn we wel allen onderhoorigen van het kasteel."

„Dat is ook mijn meening. Wij moeten dus alle woningen mijden; kunnen we dat niet, dan moeten enkelen onzer achterblijven om de bewoners, die we knevelen of gevangen houden zullen, te bewaken. Het is het eenige middel om niet verraden te worden."

Dit gesprek werd gehouden in den namiddag van den vierden dag, dat ze op pad waren, en nauwelijks had Wolfaard dat gezegd, of men hoorde in hun nabijheid een tak kraken.

Als een kat, die een muis bespringt, sprong Wolfaard opeens tusschen het hout, en bijna op hetzelfde oogenblik hoorde men een man schreeuwen: „Genade! Genade heer! Ik ben een arme marskramer en heb niets anders dan wat in mijn mars is en eenige penningen in den tasch. Spaar mij het leven, heer, en neem, wat ik bij mij heb."

Wolfaard sleurde den man van tusschen het kreupelhout en bracht hem bij Marten.

„Wien hebt gij daar, heer?" vroeg deze.

Sluiten