Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet afgeschrikt en vielen Wolfaard aan, doch deze greep nu naar de dagge, die hij onder zijn ruim kleed verborgen had gehouden, en twee wisten weldra van den prins niet veel kwaad meer. De derde ging op de vlucht. Vluchten? Dat mocht niet.

„Holland! Holland!" riep Wolfaard en weldra kwam de bende aanhollen.

„Grijp dien vluchteling en die deerne daar ginder," riep hij zijn volk toe.

„Waarom hebt ge toch niet vroeger „Holland, Holland! geroepen, heer?" vroeg Marten, die den vluchteling meebracht.

„Waarom ik dat niet gedaan heb? Wel, kijk dan, daar liggen de schelmen! Lodewijk van Vaelbeke zou geen knip voor den neus waard zijn, als hij hulp riep voor hij er door meer dan tien aangevallen werd.

„En wat met dezen man?" vroeg Marten.

„Geef hier,"- zei Wolfaard, en zoodra hij den tegenspartelenden roover in de handen had, hield hij hem in de hoogte en met een : „Dat met dezen schelm," wierp hij hem, alsof de man een kaatsbal was, een heel eind verder in den afgrond.

Al de mannen der heele bende stonden op dit gezicht verslagen. Dappere ridders hadden ze ontmoet, sterke mannen hadden ze gezien, maar een als deze, die zeven man, bijna zonder eenig wapen, stond en een volwassen en zwaar gebouwd man zulk een eind wegwerpen kon, neen, dat hadden ze nog nooit gezien. Met dien man aan het hoofd, meende ieder, dat de heele bende wel duizend man sterk was, en de tweehonderd kregen ook voor duizend man moed.

„En wat met die deerne, heer ?" vroeg Marten.

„Wel, die zal ons een smakelijken maaltijd gereed maken. Er zijn hier kippen om aan het spit te braden en bier en brood is er ook," zei Wolfaard.

„En als ze het vergiftigt ?" vroeg Hein, de henker.

„Van alles, "wat we te eten of te drinken krijgen, eet en drinkt zij het eerst," zei Wolfaard.

183

Sluiten