Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wreed en onbarmhartig als de meesten toen waren, was hij niet. Hij zei niets anders dan: „Welnu, we zullen zien, wat er gebeurt zonder uw hulp. Hein, bind haar zoo, dat ze niet ontvluchten kan."

Dit bevel was in een oogwenk volbracht, en na eenige mannen achtergelaten te hebben, trok Wolfaard thans met de zijnen moedig voorwaarts.

Op den burcht werd, daar ze op een steile rots lag, welke bijna niet te beklimmen was, zoo goed als geen wacht gehouden. De ingang tot den burcht bevond zich dan ook achter het huis waar de bierton uithing, en reeds menig reiziger, die hier zijn brandenden dorst had willen lesschen, was in dit huis overvallen, geplunderd en gedood. Pas tegen het aanbreken van den dageraad klauterden de bestormers, met Wolfaard en Marten vooraan, tegen de steile rotsen en ongemerkt waren ze binnen de rotsmuren gekomen en wachtten daar zooveel der anderen af, dat men het kon wagen om de roovers aan te vallen. Het duurde lang eer een honderdtal binnen was. Thans besloot men te handelen en ging men zonder eenig gedruisch te maken langzaam en voorzichtig verder.

„Valt aan! Holland! Holland!" riep Wolfaard eindelijk, en door de zijnen gevolgd, snelde hij, gewapend met een ijzeren staaf, naar de poort, die gesloten was.

Op dit geroep hoorde men in het kasteel en op den binnenhof terstond alles in'beweging. .

De poort, van zwaar eikenhout en met ijzer beslagen, bezweek niet voor de slagen met bijlen en ijzeren staven. De pijlen der belegerden vielen in het midden der bestormers, en toen eindelijk de poort opengeslagen was, begon op den binnenhof een hevige strijd. De aanvallers waren veel grooter in getal dan de aangevallenen, doch op bevel van jonker Frank, den jongsten zoon van den roofridder, die bij afwezigheid van den ouderen broeder te gebieden had, trokken de roovers zich in het kasteel terug en begonnen nu uit de schietgaten niet alleen met hun spijlen te schieten, maar ook kokende olie en brandend

Sluiten